Misschien heb je er wel eens van gehoord, het imposter syndrome. Bij dit syndroom denk je dat je elk moment door de mand kunt vallen. Iedereen zal weten dat je al die tijd gebluft hebt en helemaal niks weet en/of kan. Dit gevoel heb ik regelmatig ervaren tijdens coschappen. Als ik een patiënt overdroeg aan een arts bijvoorbeeld en mijn lichamelijk onderzoek vertelde. Als ik vertelde dat ik een soepele buik had gevoeld. Als ik vertelde geen bijzonderheden te horen over het hart. Als ik zei geen alarmsymptomen uit de anamnese te halen. Als ik vertelde dat er geen relevante dingen in de voorgeschiedenis staan. Bij elke opmerking die ik maakte, was er een klein stemmetje in mijn hoofd dat zei: “maar is dat wel zo? Klopt het wel? Heb je dat niet verzonnen? Hoe weet je nou of dat waar is?” (Bij wijze van spreken dan, ik hoor geen stemmen, dat dat eventjes duidelijk is). 

Imposter syndrome maakt je coschappen niet leuk

Mijn ervaring tijdens coschappen is dat het imposter syndrome regelmatig weer de kop opsteekt. Als ik een goede beoordeling binnen heb gehaald bijvoorbeeld. Soms hou ik dan maar mijn hart vast in de hoop dat ze er niet achterkomen dat ik dat helemaal niet verdiend heb. Het maakt niet uit op welke afdeling ik coschappen loop. Altijd vind ik wel weer een reden om dat stemmetje aan te wakkeren dat mij vertelt dat het waarschijnlijk toch niet klopt en dat ik wel door de mand zal gaan vallen. En dat maakt je coschappen niet leuk. 

Omdenken

Het imposter syndrome kan je ontzettend onzeker doen voelen en je coschappen voor een groot deel bepalen. Maar wat nou als dat stemmetje eens tegen zichzelf zou zeggen: “Klopt het wel dat deze coassistent bluft? Misschien is er helemaal geen kans dat ze door de mand zal vallen, simpelweg omdat ze weet wat ze doet.” Dat stemmetje zou ik graag met regelmaat wat harder in mijn hoofd willen horen praten. Ik ben ervan overtuigd dat ik lang niet de enige coassistent ben die aan dit imposter syndrome lijdt. 

Ben jij ook wel eens bang om door de mand te vallen?